Mesy Keller: 40 jaar vrijwilliger


Mesy Keller (69) is veertig jaar vrijwilliger bij de dierenbescherming. In den beginne vocht ze tegen kattenvellen in bontmantels en ze is nog steeds zeer strijdbaar.


Zonder gène verschijnen ze met dier aan de balie van het asiel aan de Oude Baan in Breda. Ja, de kat moet weg. Waarom? Omdat hij de krullen van de trap krabt en niet bij de meubels kleurt. Of de hond wordt afgestaan vanwege gezinsuitbreiding. „Eén van de medewerkers heeft eens geantwoord: Waarom doet u uw kind dan niet weg? Het hoort natuurlijk niet, maar ik kan het me wél voorstellen, als je dag in dag uit die rotsmoesjes aan moet horen en daar een dier bij gepresenteerd krijgt. Daar word je cynisch van.”

Het is Mesy Keller ten voeten uit. Bijzonder begaan met dieren. Misschien nog wel meer dan met mensen. Van oorsprong is ze kattenmens. Heeft niets met reptielen, ‘maar als het zou moeten, zorg ik er voor’. Ze had ooit drie honden en drie katten, nu zijn het er nog respectievelijk een en twee en ze heeft vier chinchilla’s. Gekocht op een rommelmarkt, omdat ze op de tocht stonden. Toen ik thuis kwam dacht ik, oeps. Nou hebben we ook nog vier chinchilla’s.”

Op 1 november is ze precies veertig jaar vrijwillig in touw voor de dierenbescherming, de laatste acht jaar speciaal belast met de asieldieren.

Ze meldde zich aan omdat ze haar kat kwijt was. En ook de buurvrouw miste er twee. „Dat kon geen toeval zijn”, zegt ze. „Ik kon me er niet bij neerleggen dat hij weg was. Iets wat ik niet weet kan ik niet accepteren.” Mesy ontdekte, vertelt ze, dat er toentertijd katten werden doodgemept voor hun bont, dat werd verwerkt in bontmantels. „Ik heb de directeur van één van de grootwinkelbedrijven aangeschreven en binnen een week waren die mantels uit de etalage. Daar ben ik niet te flauw in.”

Het bestuur van de dierenbescherming was bij haar aantreden ‘incompleet’ en volgens Mesy ook niet erg actief. „Het was de gevestigde orde die mekaar schouderklopjes gaf. Als je vijftig kalenders verkocht had, was je al bestuurslid. Druk hadden ze het niet, maar ze waren wél bestuurslid.”

Mesy was anders. Ze gooide direct de knuppel in het hoenderhok. Niet alleen binnen het bestuur, met de toen nog jeugdigde overmoed van een wereldverbeteraar, maar ze stapte ook op dierenhandelaars af. „Die zetten zelfs kooien ’s nachts. Ik schaduwde ze en gaf ze aan. Regelmatig werden er aan de grens handelaars met pelzen gepakt. Gek genoeg mocht het bont wél verkocht worden.”

Haar kat zag ze nooit meer terug. „Pas na twintig jaar had ik rust, omdat ik toen gevoegelijk kon aannemen dat hij er niet meer was. Je blijft toch zoeken. Ik zag zijn gestreepte velletje ook terug in die bontkragen.”

De dierenbescherming had veertig jaar geleden vooral tot doel om wantoestanden - illegale dierenhandel of vivisectie - te bestrijden en er over voor te lichten. „Wij hingen zaken aan de grote klok. Geef je hond niet zo maar mee aan een handelaar. Weet wat je doet.”

„Een groot deel van de mensheid keek in die jaren heel anders tegen dieren aan dan nu. Dieren hield je niet voor de gezelligheid, nee die hadden een functie”, vervolgt ze. „Je nam een fox om ratten te vangen en een kat tegen de muizen. Niemand wilde een asieldier. Tenzij je het écht niet kon betalen. In het asiel zat uitschot, zo heette dat. Als je een dier kon betalen, dan nam je een rashond of -kat.”

Er is in die veertig jaar veel veranderd. Dieren dienen in toenemende mate een vertroeteldoel en het asiel wordt gezien als volwaardige partner. Over de aanschaf van een dier wordt in de regel nagedacht, asieldieren worden goed nagekeken en zijn behandeld en gezond als ze aan een nieuwe eigenaar worden meegegeven, somt Mesy Keller op.

Maar wantoestanden zijn er helaas nog steeds, zegt ze. „Kistkalveren, bioindustrie, de nertsenfokkerij, veetransporten. Ik kan daar niet naar kijken, naar die vrachtwagens vol varkens. Die moeten dan bijvoorbeeld helemaal naar Italië worden gebracht om daar tot Parmaham verwerkt te worden. Dat dan in Nederland verkocht wordt. Ik ben geen vegetariër, maar jongens: dat kan ánders. Het kan je partij niet zijn, maar de Partij voor de Dieren brengt de misstanden wél voor het voetlicht. Vroeg of laat komt er een verbod op het fokken van dieren voor hun bont, dat weet ik zeker. Maar het heeft allemaal zo veel tijd nodig. Ik dacht veertig jaar geleden dat ik het allemaal wel zou regelen in een half jaar, maar dat was een misvatting.”

Op de vraag waar ze nog wel eens wakker van ligt, hoeft ze niet lang na te denken: „De ondoordachtzaamheid waarmee sommigen met dieren omgaan. Met twee katten beginnen en niet ingrijpen tot het er dertig zijn. Veel huisdieren zijn ook veel te dik. Ligt een taak voor ons in de voorlichtende sfeer.”

De afgelopen acht jaar bemoeit Mesy Keller zich zoals ze zegt ‘overal tegenaan’ waar het de asieldieren betreft. Dan gaat het om de huisvesting van de dieren in de nieuwbouw die over twee jaar open moet gaan, maar ook over fundamentele vragen als: ‘Moeten we aan deze meneer of mevrouw wel een asieldier meegeven?’ Keller: „Als iemand hier voor de zoveelste keer binnen relatief korte tijd een nieuw dier komt halen, dan zeggen we gerust: ‘U bent hier nu voor de tiende keer in vijf jaar tijd, zou u dat nou wel doen’. Maar aan de andere kant: als wij geen dier meegeven, dan halen ze er wel een van Marktplaats. Ik ben voor een verbod op het houden van dieren voor mensen die aantoonbaar regelmatig agressief zijn geweest tegen een dier. Daar is wetgeving voor nodig. En er is ook wel eens een dier geweigerd. Dat zeggen we dan ook: Het is beter dat u geen dier neemt, want dat vinden we niet verantwoord.”

 

Bron: BNdeStem, door Hélene Schenk, 26 oktober 2009